|
Gestoorde
fertiliteit, een erfelijk probleem
Lezing door ir. Ed.J.Gubbels,
oktober 1997.
Evenals voor de meeste
kenmerken, geldt ook voor de vruchtbaarheidskenmerken dat ze een erfelijke basis
hebben. In de erfelijke opmaak van het individu is vastgelegd hoe ver het
voortplantingsvermogen kan reiken. Vanuit het milieu wordt bepaald in hoeverre
dit vermogen ook daadwerkelijk tot ontwikkeling komt. In de loop van de jaren
zijn we er alsmaar beter in geslaagd de houderij-omstandigheden van onze honden
te optimaliseren. Er zijn in de huidige rashondenhouderij nog nauwelijks
structurele milieuomstandigheden te vinden die aanleiding geven tot beperking
van het voortplantingsvermogen van onze honden. Onze kennis van vakgebieden,
zoals voeding en ziektepreventie, heeft ertoe bijgedragen dat vrijwel elke hond
onder bijna optimale omstandigheden tot ontwikkeling kan komen. Daarmee kan ook
het erfelijke potentieel op het vlak van de voortplanting volledig, of nagenoeg
volledig, tot ontwikkeling komen.
Dit betekent dat de tekorten
en storingen die wij waarnemen in de voortplanting van onze honden, in hoofdzaak
hun oorzaak vinden in problemen in de erfelijke aanleg van de betreffende
dieren. Een belangrijke groep van uitzonderingen hierop vinden we in de hoek van
de incidenteel optredende infecties van de voortplantingsorganen. Of een dier al
dan niet geïnfecteerd raakt, hangt enerzijds af van de toestand van het dier
wanneer het met een ziekteverwekker in contact komt en anderzijds van de
agressiviteit van het infecterende organisme. En zelfs hier, zo blijkt uit
onderzoek, hebben we te maken met erfelijke verschillen tussen individuele
honden en tussen rassen. Sommige honden of honden uit bepaalde populaties
(lijnen, rassen) worden vaker en ernstiger ziek dan andere honden en honden uit
andere populaties.
Voortplantingsvermogen
Het vermogen van dieren om
zich voort te planten (de fertiliteit) is afhankelijk van een veelheid van
factoren. Uiteraard is de algehele conditie van het fokdier van belang. Met
"algehele conditie" bedoelen we de mate waarin het dier een gezond functionerend
organisme is, niet gehinderd door storingen of gebreken in de anatomie, de
fysiologie of in het gedrag.
De basis voor die algehele
conditie wordt gelegd door de erfelijke aanleg waarover het dier beschikt. De
milieu-invloeden, vanaf het allereerste moment, vanaf het ontstaan van het
individu bij de bevruchting, bepalen in hoeverre die erfelijke aanleg tot
ontwikkeling komt. Door het opgroeiende en zich ontwikkelende dier een optimale
voeding en gezondheidszorg aan te bieden, kunnen de erfelijk aanwezige talenten
optimaal in het fenotype tot uiting worden gebracht.
Voor het realiseren van een
nakomelingschap zijn we, behalve op de algehele conditie van de fokdieren,
aangewezen op een veelheid van meer specifieke hormonale en fysiologische
processen. Het gaat om processen waarvan we meestal pas weten òf, en vooral ook
met welke kwaliteit, ze verlopen zodra we de betreffende hond actief inzetten
voor de fokkerij. En ook hier weer geldt dat de basis voor het verloop van deze
processen verankerd is in de erfelijke aanleg van het dier.
Voor wie niet al te moeilijk
wil doen lijkt fokken (algemener : de voortplanting) een simpele zaak. Een teef
wordt loops, ze wordt gedekt, negen weken later komt er een nest en zowat acht
weken daarna kunnen de pups naar hun nieuwe eigenaren. Zo eenvoudig kan het
gaan. De praktijk leert echter dat wij bij onze rashonden in toenemende mate te
maken krijgen met storingen in dit proces. Steeds vaker worden we geconfronteerd
met problemen bij de voortplanting, in nogal wat gevallen met steriliteit, zowel
bij reuen als bij teven. Uiteraard geldt dit niet voor alle rassen in dezelfde
mate. We zien, zoals voor de meeste kenmerken, ook voor het kenmerk
vruchtbaarheid grote verschillen tussen rassen en tussen lijnen binnen rassen.
Dit wijst uitdrukkelijk op een erfelijke basis.
Kijken we wat genuanceerder
naar het verschijnsel "voortplanting", dan blijkt dat we te maken hebben met een
gecompliceerde reeks van hormonaal gestuurde processen. Processen die elk
afzonderlijk tot stand komen op basis van de werking van grote aantallen
genenparen en waarbij de bijdrage van elk genenpaar essentieel is voor een goede
afloop van het totale proces. Hierbij dienen de opeenvolgende en parallelle
deelprocessen zorgvuldig op elkaar te zijn afgestemd. En voor de meeste van die
deelprocessen geldt dat, wanneer er iets mee mis gaat, dit grote consequenties
heeft voor het voortplantingsvermogen van het betreffende dier.
Inteelt
Bij de fokkerij van rashonden
is het gebruikelijk om inteelt toe te passen. We noemen dat anders, we spreken
liever over lijnteelt, maar in principe komt dat op hetzelfde neer. Als we de
stambomen van de fokhonden bekijken zien we daarin bijna altijd voorouders die
meer dan eens voorkomen. En dus plegen we inteelt. We zijn daarmee bezig de
erfelijke bestaansbasis van onze rassen te ondergraven. Elke volgende generatie
die door verdere inteelt tot stand komt, wordt ietsje "slechter" dan de vorige.
Dit is omdat er opnieuw, door de toegenomen mate van inteelt, een deel van de
erfelijke variatie verloren is gegaan en omdat opnieuw een groter deel van de
erfelijke opmaak van de dieren homozygoot is geworden.
In de praktijk van alledag
verkijken we ons daarop. De verschillen tussen een generatie en de voorafgaande
of de volgende zijn meestal minimaal. Het blijkt zelfs voor fokkers, die dertig
jaar of langer in het vak zitten, moeilijk om objectief vast te stellen dat er
in die periode iets veranderd is in hun lijn of in hun ras. Het ligt dan ook
voor de hand om de negatieve effecten van inteelt te bagatelliseren.
Uit onderzoek, zowel onder
laboratoriumomstandigheden als aan de hand van praktijkmateriaal, blijkt
overduidelijk wat de negatieve effecten van inteelt zijn. Populaties die worden
ingeteeld krijgen langzaam maar zeker te maken met een afnemende vitaliteit en
fertiliteit. De dieren worden minder bestand tegen de omstandigheden waaronder
ze worden gehouden, hun weerstand tegen infectieziekten (hun resistentie) neemt
af en hun voortplantingsvermogen gaat achteruit. Het zijn de merkbare uitingen
van een verslechterde "algehele conditie".
Zodra de fertiliteit van een
populatie (een ras of een of meer lijnen daarin) achteruit gaat kan zich dat op
een aantal fronten uiten. We zien meestal, vooral bij de reuen, een toenemend
aantal dieren dat steriel is of op jonge leeftijd steriel wordt. Bij de teven
treden vaak onregelmatigheden in het loopshedenpatroon op en vinden we verlengde
intervallen tussen opeenvolgende loopsheden. In nogal wat gevallen constateren
we een afname van de moederzorg, zowel door onvoldoende melkproductie als door
storingen in het zorggedrag van de teef.
Deels als gevolg hiervan,
maar ook door lagere aantallen geovuleerde, bevruchte en/of geïmplanteerde
eicellen, neemt de nestgrootte af. Tot slot zien we in beide geslachten een
afnemende libido, de bereidheid tot paren neemt af.
Deze verschijnselen treden
niet in elk ras en in elke situatie in dezelfde mate op. Afhankelijk van de
uitgangspositie van de (sub)populatie en van de dieren (genotypen) die feitelijk
voor de fokkerij worden ingezet, zullen de genoemde verschijnselen in meerdere
of in mindere mate tot uiting komen.
Het verlies aan vitaliteit en
fertiliteit treedt sluipend op. Kwantitatieve kenmerken, zoals bijvoorbeeld
vruchtbaarheid, komen in hun waarneembare vorm (fenotype) tot stand als gevolg
van de werking van vele honderden genenparen en een hele reeks van
milieu-invloeden. Deze leveren, elk voor zich, een kleine positieve of negatieve
bijdrage aan het eindresultaat. Daarbij is het voor ons niet mogelijk om, op het
niveau van één of enkele individuen, waar te nemen dat het genotype een ietsje
slechter is dan dat van de dieren in de generatie daarvoor.
Echter, vergelijken we
groepen dieren over een wat langere periode dan blijken de verschillen
aantoonbaar. Ze zijn het directe gevolg van enerzijds het verlies van erfelijke
variatie en anderzijds de toenemende homozygotie voor "minder gewenste" genen.
Als het nu zo was dat de fertiliteit van een ras gelijkmatig zou afnemen, dan
zouden we met een beheersbaar proces te maken hebben. Het punt is echter dat er
van gelijkmatigheid in het geheel geen sprake is. Binnen een ras komen sommige
subpopulaties en lijnen sneller en ernstiger in de problemen dan andere. Zodra
dit gebeurt, neemt bij het achterwege blijven van ingrepen door de mens, hun
bijdrage aan volgende generaties af. Dat is zeer wenselijk uit een oogpunt van
het tegengaan van de verspreiding van ongewenste genen. Dat is slecht omdat
daarmee opnieuw een deel van de erfelijke variatie van dat ras verloren gaat. In
totaliteit wordt het ras er alleen maar slechter van, er ontstaat een zichzelf
versterkend cyclisch proces van fertiliteitverlies, gevolgd door verlies van
erfelijke variatie.
Selectie
Het negatieve effect dat
uitgaat van inteelt wordt in hoge mate versterkt door de wijze waarop we onze
fokdieren selecteren. Bij de fokkerij van rashonden krijgt het exterieur
overmatig aandacht. Te veel fokkers menen dat een hond pas een goede
vertegenwoordiger van het ras is als hij op z'n minst de score "uitmuntend"
haalt, liever nog een kampioenstitel in de wacht sleept. Problematisch is dat
dit gedachtegoed wordt toegepast bij de keuze van de fokdieren.
Vanuit de redenering dat
kampioenen kampioenen geven worden de kampioensreuen overmatig ingezet in de
fokkerij. Hierdoor stammen hele generaties rashonden van een beperkt aantal
dekreuen af.
We zien dit verschijnsel in
vrijwel alle rassen. Er wordt niet alleen ingeteeld, er wordt bovendien
ingeteeld op een veel te beperkt aantal bekroonde fokdieren. Het gevolg is dat
de erfelijke aanleg van een paar dieren uitgesmeerd wordt over de hele
populatie.
De schadelijke genen, die
toevallig bij deze fokdieren aanwezig waren, krijgen daarmee een grote
verspreiding en kunnen het ras op enig moment in de problemen brengen. Meestal
duurt het drie à vier generaties voordat afstammelingen van een dergelijke
kampioen onderling worden gepaard. Dat is het tijdstip waarop zichtbaar wordt
welke schadelijke genen hij doorgaf aan zijn nakomelingen. Dat is ook het
tijdstip waarop die schadelijke genen al een zodanige verspreiding hebben dat
het rigoureus uitsluiten van de gehele nakomelingengroep niet meer haalbaar is
zonder daarmee het voortbestaan van het ras in gevaar te brengen.
Wanneer het om een ernstige
levens- of welzijnsbedreigende stoornis gaat is het ras in de problemen. Er is
dan geen weg terug. In principe kan elk dier, dat afstamt van de fatale
voorouder, drager zijn. We worden nu gedwongen om zwaar te selecteren tegen het
optreden van de afwijking, verliezen daardoor een extra deel van onze erfelijke
variatie en lopen het risico de verspreiding van andere erfelijke afwijkingen te
bevorderen.
Bij het thema selectie moet
terzijde nog op een ander fenomeen worden gewezen. Bij een aantal rassen hebben
we de neiging tot overdrijven, zware honden kunnen niet zwaar genoeg zijn,
kleine rassen moeten alsmaar kleiner en korte hoofden moeten zo onderhand
kogelrond worden. We gaan daarbij voorbij aan de ongelijke snelheid waarmee we
delen en vormen van dieren middels selectie kunnen wijzigen.
Dieren zijn van nature
harmonieus gebouwd. Zo is bij de geboorte is de maatvoering van de nakomelingen
aangepast aan de maatvoering van de moeder. Deze "functionele koppeling" tussen
de lichaamskenmerken van de moeder en haar nakomelingen is van belang voor de
overleving van de soort. Moeders waarvan de jongen in het geboortekanaal
vastlopen overleven niet
We stellen vast dat er
inmiddels rassen zijn waarvoor we de balans tussen teef en haar pups flink
hebben verstoord. Pups blijken te zwaar, hun koppen zijn te dik of, redenerend
vanuit de teef, de bekkendoorgang is niet aangepast aan hetgeen wij vinden dat
er doorheen zou moeten. Alleen dankzij het op grote schaal toepassen van
keizersneden lukt het ons om onze overdrijving verder voort te zetten.
In ditzelfde kader passen de
rassen waarvan een deel van de reuen niet meer tot een
natuurlijke dekking in staat
is. Ook hier zijn we erin geslaagd om, door middel van selectie, de structuur
van de honden zodanig te wijzigen dat die ongeschikt is geworden voor het
uitvoeren van de normale voortplantingsfunctie. Voor de fokkers lijkt dat
nauwelijks een probleem, door het op grote schaal toepassen van kunstmatige
inseminaties wordt de toekomst van het ras veilig gesteld.
Calamiteiten
Het meest direct worden we
met de consequenties van onze inteeltfokkerij geconfronteerd zodra we binnen een
ras met calamiteiten te maken krijgen. Met calamiteiten bedoelen we het
"plotseling" op grote schaal optreden van erfelijke afwijkingen, de waarneembare
gevolgen van de hierboven genoemde schadelijke genen die vanuit "supervaders"
worden verspreid.
Het betreft de eenvoudig
verervende afwijkingen die op termijn van enkele generaties van incidenteel
probleem tot rasprobleem kunnen worden. Het zijn de afwijkingen waarbij de
werking van één of enkele genenparen vaak dramatische consequenties heeft voor
het functioneren van het individu.
Dit type afwijkingen is "kind-aan-huis"
in de kynologie. We kennen ze in alle rassen en voor alle lichaamsfuncties en
orgaansystemen. Voor de voortplanting en de voortplantingsorganen zijn deze
afwijkingen minder bekend, ze zijn er echter wèl. De bekendste in deze groep is
waarschijnlijk Cryptorchidie, een storing bij het indalen van de testikels. Dat
er voor letterlijk elk hormoon en elk enzym, dat van belang is voor de
voortplanting, van dit soort erfelijke afwijkingen bestaan, wordt slechts zelden
in de handboeken vermeld.
In onze hondenrassen worden
we, ook ten aanzien van de vruchtbaarheid, met enige regelmaat geconfronteerd
calamiteiten. Vaak blijkt dan dat het probleem zich voordoet bij de groep
nakomelingen van een of andere reu die enkele generaties daarvoor wat al te
enthousiast werd gebruikt.
Bij een groot deel van de
vruchtbaarheidsstoornissen gaat het om afwijkingen, die het patroon volgen van
de "klassieke" erfelijke afwijkingen. Ze steken onverwacht snel de kop op en
blijken bij onderkenning een grote verspreiding te hebben binnen het ras of
binnen een of meer lijnen.
De indruk bestaat dat er
sprake is van een toename van dit soort problemen, echter onderzoek, waaruit
blijkt in welke mate dit voor de afzonderlijke rassen geldt, ontbreekt nog. Er
mag geen enkel misverstand over bestaan, "super-verervers" bestaan niet. Er zijn
dieren die voor een aantal kenmerken over zeer goede genen beschikken, dat wel.
Echter, elk dier draagt een veelheid aan schadelijke genen met zich mee waarbij
er hooguit verschillen zijn in "hoeveel" en "hoe fataal". Geen enkel dier
beschikt over een zo schadevrij genenpakket dat we zelfs maar zouden moeten
overwegen om het in te zetten als stamvader of stammoeder voor het ras.
Bovendien, ons past
bescheidenheid. Aan de hand van het fenotype van een hond kunnen wij, in de
meest optimistische benadering, hooguit zicht krijgen op de werking, eigenlijk
alleen maar de fenotypische effecten, van een paar honderd genenparen. Over de
overige tienduizenden genenparen, die allemaal bijdragen aan het functioneren
van het individu, weten we absoluut niets. De enige zekerheid, die we daarover
hebben, is dat letterlijk elk individu over een reeks van schadelijke recessieve
genen beschikt, en dus erfelijk belast is. Het zou aanmatigend zijn te denken
dat wij in staat zijn de super-ouders voor toekomstige generaties aan te wijzen.
Kunstgrepen
De eigenaar, die zich
voorgenomen had met zijn hond te fokken, zal diep teleurgesteld zijn zodra
blijkt dat zijn plannen geen doorgang kunnen vinden omdat het dier aan een of
andere fertiliteitstoornis lijdt. Hij heeft een belangrijk deel van zijn hoop en
verwachtingen voor de toekomst in zijn hond gelegd en zal wellicht blij zijn met
elke oplossing die wordt aangereikt. Vanuit zijn persoonlijke motieven lijkt dan
het toepassen van kunstgrepen aanvaardbaar.
Aan het beschikbaar maken van
kunstgrepen wordt hard gewerkt. We begrijpen steeds meer van de mechanismen die
bepalend zijn voor het succes van de voortplanting. En er komen steeds meer
oplossingen op de markt die het verdriet van de teleurgestelde fokker kunnen
verhelpen. Onze kennis van het vakgebied voortplanting en vruchtbaarheid neemt
met rasse schreden toe en er komt een dag, althans zo lijkt het, dat het
merendeel van deze teleurstellende stoornissen met behulp van "kleine
reparaties" tot het verleden behoren. Met allerlei eenvoudige operatieve
ingrepen en ogenschijnlijk simpele hormonale bijsturingen slagen we erin het
schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken.
Vanuit de persoonlijke
belangen, vooral de kortetermijnbelangen, van de fokker bezien, hebben we te
maken met een verheugende ontwikkeling. Bovendien, het menselijk vernuft
zegeviert opnieuw over de beperkingen die de natuur ons oplegt. Bezien we deze
ontwikkeling vanuit de belangen van de rassen dan is het maar zeer de vraag of
we blij moeten zijn met de mogelijkheden die de voortschrijdende wetenschap ons
biedt.
Individuen, die tengevolge
van een vruchtbaarheidsstoornis worden uitgesloten van de fokkerij, beschikken
vrijwel zonder uitzondering over een erfelijk opmaak die een normale
voortplanting in de weg staat. Daarmee is de kans is groot dat we, dankzij het
toepassen van kunstgrepen, een volgend stukje van de natuurlijke selectie tegen
dit soort afwijkingen uitschakelen. En daarmee verschuiven we het probleem naar
volgende generaties. We dragen willens en wetens bij aan het doorgeven van
erfelijk materiaal dat bij het betreffende individu inadequaat is gebleken.
En het gevaar is niet
denkbeeldig dat vroeg of laat een gerepareerde of hormonaal bijgestuurde
kampioensreu grote delen van het ras op de rand van de afgrond brengt.
Er is in dit kader nog een
andere kanttekening te plaatsen. In ons huidige fokkerijbeleid benutten we
slechts een fractie van het beschikbare erfelijke materiaal. Er zijn, vanuit de
belangen van het ras, nauwelijks motieven te bedenken die dergelijke ingrepen
noodzakelijk of zelfs maar wenselijk maken. Elk individueel dier is misbaar, er
is in elk ras nog zoveel onbenut erfelijk materiaal dat iedere besteding van
energie en middelen aan dit soort probleemgevallen ook vanuit populatiegenetisch
oogpunt niet te rechtvaardigen is.
Samenvattend
Samenvattend moeten we
vaststellen dat de toekomst van onze hondenrassen weinig goeds te verwachten
heeft van de hulp en ondersteuning die ons vanuit de veterinaire wereld wordt
geboden bij het verhelpen van vruchtbaarheidsstoornissen. Bij elke kunstgreep
die op dit terrein beschikbaar komt, kan terecht de vraag worden gesteld hoe
lang het nog duurt voordat hele groepen dieren binnen onze rassen ervan
afhankelijk zijn. De voorbeelden, hoe we van kwaad tot erger komen, zijn er al.
Ethiek
In een discussie, over het al
dan niet toepassen van dit soort verworvenheden, ontkomen we niet aan een
ethische stellingname. De vraag is aan de orde hoe ver wij mogen gaan in het
veranderen (het manipuleren) van de dierpopulaties waarvoor wij de
verantwoordelijkheid dragen.
Deze vraag is niet in zijn
algemeenheid te beantwoorden. Het antwoord wordt voor een belangrijk deel
bepaald door de doelen waarvoor de dieren worden gefokt en gehouden. Bovendien
krijgen we te maken met de verschillen in ethische beleving tussen de individuen
die in het kynologische veld hun rol spelen.
Het is aan de Kynologie om
stelling te nemen in de afweging tussen de belangen van individuele fokkers en
die van rassen (van honden). Een stellingname overigens, waarbij de maatschappij
meekijkt. We mogen daarbij terecht betwijfelen of men ons in de toekomst nog zal
toestaan rassen te fokken die middels een never ending reeks van kunstmatige
inseminaties, hormonale bijsturingen en keizersneden in stand worden gehouden.
Bron : Nederlands Congres voor
Hondenfokkers, 31 oktober en 1 november 1997, De Reehorst, Ede.

|