|
Populariteit
heeft z'n prijs!
Over populaire
reuen en populatiegenetica
Geschreven door C.A. Sharp,
1998, oprichtster van de ASHGI.
Oorspronkelijke titel: "The Price of Popularity: Popular Sires and Population
Genetics"
http://www.canine-genetics.com/Popular_sires.htm
, Double Helix Network News, Vol. IV, No. 3
(Summer
1998)
Vertaling
door Janneke Scholten.
Blue
Er was eens een buitengewone
reu, een rashond - laten we zeggen een Vloerhond -
genaamd Blue. Blue was in
alle opzichten de perfecte hond: vitaal, gezond en slim. Door de week
apporteerde hij vloerballen, van het ochtendgloren tot de schemering. In het
weekeinde schitterde hij op gehoorzaamheidsproeven en aanlegtesten waarbij hij
werd ingezet op - je raadt het al - vloerballen.
Iedereen had een goede reden
om Blue als dekreu te gebruiken, en iedereen deed dat dus ook. Zijn nakomelingen
volgden in zijn spoor, generatie op generatie. Blue werd oud, héél oud, en
overleed tenslotte, met roem beladen.
Wat de mensen niet wisten was
dat Blue, hoe goed hij zelf ook was, een paar slechte genen bezat. Hij had er
geen last van, en de overgrote meerderheid van zijn directe nakomelingen ook
niet. Maar een paar van deze slechte genen hingen samen met belangrijke
eigenschappen van Vloerhonden.
Bij een klein aantal
Vloerhonden begonnen problemen de kop op te steken. Het leken op zichzelf
staande gevallen, dus iedereen dacht 'nou ja, pech gehad'. Sommigen vonden het
'niks om je druk over te maken'. Dat waren meestal eigenaars van honden met die
aandoeningen. In het algemeen fokte men door zoals men gewend was.
De tijd verstreek. Er kwamen
meer probleemhonden. Fokkers keken wel uit er met anderen over te praten omdat,
zoals iedereen weet, de reueigenaar toch altijd de teef de schuld geeft van
alles wat er fout gaat en zelf prat gaat op het goede. Dekreu-eigenaren wisten
dat je je maar beter koest kunt houden, want voor je het weet heb je gedonder.
Niemand nam de moeite om zich
in de problemen te verdiepen, want als ze ècht belangrijk waren, dan zou
iedereen het er toch over hebben, of niet soms?
De jaren gingen voorbij. Het
skelet van oude Blue was reeds lang vergaan. Maar langzamerhand had iedereen nu
moeilijkheden, variërend van grote problemen zoals cataract, epilepsie of
schildklierafwijkingen tot vagere zaken zoals pupsterfte, slecht moederschap en
korte levensduur. Fokkers begonnen zich achter de oren te krabben, en vroegen
zich af: 'Waar kan ik nog naartoe om hiervan af te komen?' Het antwoord was:
nergens!
De mensen werden boos. 'De
verantwoordelijken moeten aangepakt worden!' Fokkers die hun fokplannen bedreigd
zagen probeerden besluitvorming tegen te houden. Sommigen besloten in stilte tot
een tik, een graf en zwijgen. Een enkeling had de moed om toe te geven dat hij
problemen had en werd prompt het ras uitgejaagd.
De oorlog woedde voort.
Eigenaars, fokkers en dierenbeschermers bestookten elkaar over en weer met
beschuldigingen. En intussen ging men gewoon door zoals men altijd gedaan had.
Tot, na een jaar of twintig, het ganse Vloerhondenras bezweek onder de last van
het opgestapelde genetische afval, en uitstierf.
Is dit een sprookje?
Nee; dit is het ‘Impressive
syndroom’
Dit sprookje is natuurlijk
een beetje overdreven - maar niet veel. Een vergelijkbaar, minder drastisch
voorbeeld uit de realiteit is het verhaal van de Quarter Horse hengst "Impressive".
De naam was toepasselijk.
Impressive verwekte vele veulens aan wie hij zijn gewenste eigenschappen
doorgaf. Maar als deze nakomelingen en hun nakomelingen met elkaar gekruist
werden trad er soms sterfte op. Impressive bleek drager te zijn geweest van een
dodelijke, enkelvoudig recessief verervende eigenschap. Niemand wist van het
bestaan van deze afwijking, totdat men op Impressive begon terug te fokken. Dit
soort drastisch genetisch effect van één enkel vaderdier op een hele populatie
wordt sindsdien het 'Impressive Syndroom' genoemd.
Veel huisdierenrassen, ook
honden, hebben hun eigen Impressive Syndroom. Maar gevallen als dat van
Impressive zijn slechts het topje van de ijsberg. Een enkelvoudig recessief
verervende afwijking wordt binnen een paar generaties duidelijk, maar hoe staat
het met meer complexe eigenschappen?
Dat wil niet zeggen dat de
populaire reuen die wij zo bewonderen slecht zijn voor de fokkerij. Van hun vele
goede eigenschappen moet wel degelijk gebruikt worden gemaakt, maar zelfs de
beste onder hen heeft óók genen voor negatieve eigenschappen.
Genetische variatie
Niet de populaire reuen zijn
het probleem; het probleem ligt in hoe we ze gebruiken. Al meer dan honderd jaar
is inteelt (lijnteelt inbegrepen) steeds het parool geweest. Immers, via inteelt
vergroot een fokker de kans dat hij honden fokt die homozygoot zijn voor de door
hem gewenste eigenschappen. En je mag verwachten dat homozygote individuen die
zelfde eigenschappen aan de volgende generatie doorgeven, dat ze 'fokzuiver'
zijn. Als een reu een aantal positieve kenmerken vertoont en die bovendien nog
doorgeeft ook, dan kan hij een gewilde dekreu worden, een hond die door bijna
iedereen gebruikt wordt tijdens zijn leven en misschien, via ingevroren sperma,
nog daarna. Omdat de kinderen en kleinkinderen enz. goed zijn, beginnen fokkers
ze ook onderling te paren. En als de resultaten bevredigend blijven wordt er
generaties lang op deze honden teruggefokt. Soms wordt een dekreu zo intensief
gebruikt dat na enkele generaties de fokkers niet eens meer weten hoe nauw
verwant hun honden zijn, omdat die naam niet meer op de stamboom staat.
Concreet voorbeeld uit de
Australian Shepperd world
Dit is het geval met de
Australian Shepherd. De meeste Aussies uit de showlijnen gaan terug op twee
volle broers: Windhagen's Dutchman of Flintridge en Fieldmaster of Flintridge.
Deze producten van bewuste lijnteelt waren individuen van hoge kwaliteit en
dekreuen die tophonden gaven. Het is vooral aan deze twee honden te danken dat
we vandaag de dag zo veel kwaliteit en uniformiteit in de ring zien. Deze mate
van uniformiteit bestond vóór hun tijd - zo'n dertig jaar geleden - bepaald
niet.
Bij werklijnen komen ook
toonaangevende dekreuen voor, maar werkeigenschappen zijn veel complexer, zowel
genetisch als vanwege de belangrijke invloed van het milieu. Daarom zijn
werkeigenschappen veel moeilijker vast te leggen. Fokkers van werklijnen doen
ook aan lijnteelt, maar zij zullen meer aandacht hebben voor werkeigenschappen
en lichamelijke geschiktheid. De top gebruikshonden worden zelden zo veel
gebruikt als de beste showhonden.
Niet elke veelgebruikte
dekreu wordt populair omdat hij zo goed vererft. Soms staan fokkers in de rij
voor een reu die als winnaar uit de bus kwam op een belangrijk evenement. Andere
reuen zijn eigendom van mensen die hun 'waar' gewoon goed weten aan te prijzen.
Dergelijke honden kunnen waardeloos blijken als hun nakomelingen eenmaal oud
genoeg zijn om beoordeeld te worden. Maar voordat men daar achter komt hebben
heel wat fokkers al een aantal jaren van zo'n reu gebruik gemaakt en het kwaad
kan dan al zijn geschied.
Maar zelfs het gebruik van de
allerbeste populaire reuen houdt per definitie in dat bepaalde genen in een ras
minder verspreid raken, en tegelijkertijd andere genen breder verspreid worden.
Aangezien de zoons en kleinzoons van populaire reuen vaak óók populair worden,
zet deze trend zich steeds door, met als resultaat dat sommige genen geheel
verdwijnen, terwijl andere homozygoot worden door het hele ras heen. Sommige van
deze eigenschappen zullen positief zijn, maar zeker niet àlle eigenschappen.
De eigenaar van Blue, de
Vloerhond in het openingsverhaaltje, en degenen die de eerste nakomelingen van
Blue bezaten hadden geen idee van wat zich voor hun ogen voltrok. Zij waren
gelukkig met hun uitmuntende dekreuen en vonden het prachtig om ze zoveel
mogelijk goede teven te laten dekken.
Fokken en al wat daar omheen
zit is een kostbare zaak. Over 't algemeen moet er geld bij. Als je een
populaire dekreu hebt, kan de balans misschien net naar de andere kant
doorslaan. In dat geval zijn er alleen maar winnaars en geen verliezers: de
eigenaar van de dekreu kan zijn kosten beter dekken en fokkers doen hun voordeel
met de gouden genen van deze reu.
Er is geen fokker die zieke
honden wil fokken. Een kleine minderheid kan onverschillig of kortzichtig genoeg
zijn om 'problemen' af te doen als de prijs die je nu eenmaal als fokker
betaalt, maar zelfs zij zullen hun best doen het niet aan de grote klok te
hangen.
Nieuwe manier van nadenken
over fokken
We moeten op een totaal
andere manier gaan nadenken over het gebruik van fokdieren. Geen enkel individu,
hoe fantastisch ook, mag het genenbestand van een ras domineren. De eigenaars
van dergelijke honden zouden zich ernstig moeten afvragen of zij niet beter het
gebruik van hun reu kunnen beperken, jaarlijks, over zijn hele leven en in de
toekomst voor zover er ingevroren sperma aanwezig is. De eigenaar van de dekreu
zou verder niet alleen naar de kwaliteit van de aangeboden teven moeten kijken,
maar ook naar hun afstamming. Hoe ver wordt het inteeltniveau verhoogd bij een
gegeven dekking?
De teef-eigenaren zouden ook
nog eens moeten nadenken voor ze besluiten zo’n populaire reu te gebruiken. Als
je een reu pakt die nu 'in' is, waar moet je dan naar toe als de tijd van
outcross daar is?
Tenslotte moet er een
fundamentele verandering komen in de houding ten aanzien van genetische
afwijkingen. Het mag niet langer iets zijn dat men uit schaamte wegmoffelt. Het
mag ook geen moker zijn waarmee we mensen neerslaan die er wèl eerlijk mee voor
de dag komen. Het moet een onderwerp van open en redelijke discussie worden,
zodat eigenaars van zowel reuen als teven beargumenteerde fokbesluiten kunnen
nemen.
Als fokkers en eigenaars hun
lange termijn plannen en hun reactie op erfelijke problemen niet herzien, zal de
situatie alleen maar erger worden.

|