Van fokkers voor fokkers

Laatste update:

donderdag 22 april 2010

 

 

 

 
 
 
 

Colofon >>>

Disclaimer >>>

 
 

 

Nieuws

 

 

Bestuur

Bestuurszaken

Statuten / HHR

Lidmaatschap

Donateurs

Belangrijke organisaties

Links leden

Inlog leden

Rasvereniging / Rassen

Gezondheid

Genetica

Publicaties

Aanvullende informatie

Overlijden

 

 

 

 

 

Een kampioen is een eindproduct

 

Ik, Patrice van de Vorst, loop sinds begin jaren tachtig van de vorige eeuw mee in de kynologie. Ik heb nooit geshowd en nog nooit een hond gefokt, en dat wordt mij altijd tegengeworpen. Daardoor word ik in discussies buitenspel gezet. Maar doordat ik nooit geshowd en nooit gefokt heb, kan ik juist als betrokken buitenstaander wel naar het grotere plaatje kijken. Bovendien heb ik weldegelijk een belang, want ik ben nu eenmaal verliefd op een rashond en wil in de toekomst graag weer zo’n leuke gezonde hond kunnen aanschaffen.

 

Vroegere tentoonstellingen

Tentoonstellingen dienden vroeger om door keurmeesters te laten bepalen of een individuele hond wel voldeed aan de rasstandaard. In het begin van de rashondenfokkerij was het namelijk allemaal nog niet zo eenduidig als nu. Vele rassen zijn in elkaar ‘geknutseld’ vanwege speciale wensen van mensen die de hond met een doel wilden inzetten.

Vroeger diende namelijk elke hond om te werken. Dus jagers wilden een kleine snelle hond die een goed uithoudingsvermogen had. Of ze wilden een grote rustige hond die het wild binnen kon dragen. Of ze wilden een hond die in meute op groot wild kon jagen.

Maar ook andere mensen werkten met een hond. Zo waren er koetsiers en melkboeren die een trekhond wilden hebben, die sterk en krachtig was. Of werden honden naast paarden ingezet voor trekschuiten.

Hetzelfde geldt voor honden die gebruikt werden voor bewaking en verdediging of voor speurwerk.

Kortom elke hond van elk ras is ooit ontstaan om te werken. Zie ook op de website onder werken met een Spaniel.

 

De reden dat er tentoonstellingen werden gehouden is voortgekomen uit het feit dat alle rassen ontstaan zijn uit kruisingen tussen (individuele) honden van in het begin verschillende rassen, of uiterlijk of omvang of andere kenmerken.

Zo heeft de Golden Retriever bijvoorbeeld Ierse Setters in haar eerste stambomen en bloedhonden.

En zo is bijvoorbeeld de Engelse Cocker ontstaan uit de Field en Springer Spaniels.

 

Heel in het begin moesten honden dus, door een keurmeester, in feite als rastypisch worden beoordeeld. In het voorbeeld van de Engelse Cocker (waar ik het meeste van weet) waren zaken als schofthoogte, borstbreedte, pootlengte en zo bepalend voor een nakomeling of hij tot de Field of tot de Engelse Cocker gerekend werd.

Keurmeesters in die dagen waren vaak de jagers zelf, die de hond ook beoordeelden op werklust en karakter.

 

Kennelclub

Ongeveer honderd jaar geleden kwamen er steeds meer ‘rassen’. Enkele liefhebbers van verschillende rassen staken de koppen bij elkaar en wilden afstammingspapier gaan vastleggen. Onder andere om die reden (er zijn er meer) zijn in alle landen Raden van Beheer opgestart. Een van de zaken die deze Raden moesten controleren was of een hond wel tot een bepaald ras behoorde, voordat een stamboom werd afgegeven. Later is dat veranderd, omdat twee honden die door een keurmeester tot een bepaald ras werden gebombardeerd, feitelijk en genetisch alleen maar nakomelingen konden geven die ook tot dat ras behoorden. Vandaar dat op al onze stambomen tot aan de dag van vandaag vele generaties voorouders worden vermeld. In feite is dit een bewijs van ras. Als je vier generaties Engelse Cockers in je stamboom hebt staan, dan ben 'je zelf' ook een Engelse Cocker.

 

Wat is er veranderd?

Wat er in feite in de achterliggende honderd jaar is veranderd, is dat keurmeester niet meer alleen gevraagd wordt of de hond tot een bepaald ras behoort. Maar dat tentoonstellingen een wedstrijd zijn geworden in de ‘mooiste’ rashond. De keurmeester moet dus de rasbeste uitzoeken uit de honden die op een bepaalde dag aan hem geshowd worden.

Dus de vraag aan de keurmeester is veranderd. Waar hij eerst moest bepalen of de voor hem staande hond een Field of een Cocker was (en later in Amerika waar de Amerikaanse Cocker is gefokt uit de Engelse Cocker) of het een Amerikaan en of een Engelse Cocker is, worden nu al bij de inschrijvingen voor de show eisen aan de hond gesteld. Hij/zij moet een Engelse Cocker ZIJN om aan de tentoonstelling voor Engelse Cockers te mogen deelnemen.

In feite hebben de door de Raad van Beheer uitgedeelde stambomen het werk van de keurmeesters ingrijpend veranderd. Zij hoeven niet meer te bepalen OF een hond bij een bepaald ras hoort, maar moeten een rangorde aanbrengen welke hond HET BESTE binnen de rasstandaard past.

 

Wat zijn de gevolgen?

De gevolgen zijn erg groot. Ik noem er een paar, met wederom de Engelse Cocker als voorbeeld.

·    Eerst was de kwalificatie gewoon ‘ja’ of ‘nee’. Je bezat een Engelse Cocker of deze hond was GEEN Engelse Cocker. Wat het dan wel was, moest je afwachten door bijvoorbeeld een keurmeester deze hond te laten kwalificeren als Field Spaniel.

·    Honden worden nu gewaardeerd binnen hun Engelse Cocker ZIJN. Ze worden gekwalificeerd naar goed, zeer goed, uitmuntend, en soms zelfs naar matig of slecht. Maar ze zijn en blijven Engelse Cockers, want ze hebben een afstammingsbewijs van generaties voorouders die Engelse Cockers zijn. Je kunt een individuele hond met matig dus niet voorbrengen als Field Spaniel en daar een andere waardering of kwalificatie gaan halen. Ik heb eens een Golden Retriever gehad met een ‘terugslag op de bloedhond’, zoals het keurrapport vermeldde. Hij had hele lange bovenlippen en kreeg daarom de kwalificatie Goed.

·    Op deze manier komt er competitie tussen honden tot stand. Het gaat niet meer over een Engelse Cocker ZIJN, het gaat er over de mooiste Engelse Cocker bevonden te WORDEN. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Temeer nog omdat er misschien wel veel mooiere Engelse Cockers rondlopen, die bij mensen thuis een prachtig leven leiden, maar nooit op een show worden voorgebracht. Shows lopen is een hobby en een wedstrijdsport geworden.

·    Er zijn prijzen mee te verdienen. Op tentoonstellingen zijn prijzen te winnen. De mooiste krijgt een beker en een foto, kan punten verdienen voor een kampioenschap (een woord wat al aangeeft dat hier sprake is van wedstrijden!) en is als zodanig inderdaad de mooiste per jaar, per leeftijdsgroep, per sekse. Maar het blijft hoe dan ook een wedstrijd op schoonheid, voor mensen die graag aan zulke wedstrijden meedoen.

·    Bovendien ligt er een risico op de loer, daar sommige mensen die aan zulke wedstrijden meedoen, zich gaan vereenzelvigen zich met het kampioenschap van hun hond. Zij denken dat zij iets gepresteerd hebben wat hun hond tot kampioen maakt. En inderdaad met goed trimmen en goed voorbrengen is heel wat voorsprong te behalen, maar een niet zo mooie hond, blijft een niet zo mooie hond.

 

·    En tenslotte iets waar ik me altijd over verbaasd heb; met de mooiste hond MOET veel gefokt worden. Ik geef hier altijd maar het voorbeeld van Marilyn Monroe en Albert Einstein. Marilyn gaat naar Albert en zegt: ‘Zullen we samen een kind maken? Dan krijgt het jouw intelligentie en mijn schoonheid.’ Antwoord Albert: ‘En wat als het jouw intelligentie krijgt en mijn lelijkheid?’

De vraag is dus wat voor problemen er allemaal kunnen ontstaan als een kampioenshond veel voor de fok gebruikt wordt?

 

Problemen op verschillende niveaus

Problemen met het veelvuldig gebruik van schoonheidskampioenen, of dit nu teven of reuen zijn maakt niet uit, spelen zich af op verschillende vlakken.

 

Genenpool

Op het niveau van de genenpool in de populatie kan te nauw geteeld worden. Veel dezelfde hond gebruiken geeft een versmalling van de beschikbare genen, een verkleining van de genenpool, omdat vele dieren in één generatie dan familie van elkaar zijn. Niet alleen de mooie en gewenste genen worden overgedragen, maar ook de ongewenste genen die wellicht ziekten en dergelijke kunnen overbrengen. In het stuk over ‘Het Impressive Syndroom’ wordt dat duidelijk uitgelegd.

 

Rasvereniging

Een rasvereniging heeft van de Raad van Beheer de opdracht om de belangen van het ras te vertegenwoordigen en daar waar nodig in te grijpen, bij te sturen en het ras in stand te houden. Een rasvereniging moet dus rekening houden met de drie pijlers van een ras; de rasstandaard, de gezondheid en het karakter.

Wanneer binnen een ras veel of uitsluitend gekeken wordt naar de mooiste honden binnen de rasstandaard, dan treedt er een onevenwichtigheid op. Gezondheid en karakter kunnen (of dreigen) ondergeschikt te worden aan de schoonheid.

Indien bovendien, hetgeen tegenwoordig het geval is, niet meer zo goed op karakters wordt gelet door keurmeesters, en zij honden niet meer aan het ‘werk’ zien waarvoor zij oorspronkelijk gefokt zijn, is het dus de vraag of de mooie hond nog wel aan de rasstandaard voldoet. Want in vele rasstandaarden staan ook zaken vermeld aangaande het karakter van een ras.

Vanwege de driehoek die een rasvereniging moet handhaven, kunnen er dus ruzies en vetes ontstaan, omdat er competitie is tussen eigenaren van mooie honden, die er onder andere vanwege de investering in tijd en geld, ook mee willen fokken. Maar deze honden kunnen verborgen ziekten bij zich dragen (intern) of niet meer volledig in de karakterbeschrijving van de rasstandaard vallen. Ik zeg KAN. Dit hoeft dus niet het geval te zijn. En de rasvereniging moet ook het welzijn en de gezondheid in stand houden van de gehele populatie. Het bestuur van een rasvereniging heeft dus vaak te maken met twee kampen binnen de vereniging en moet daar tussen laveren.

De rasvereniging echter moet WEL de rasstandaard in acht nemen. Vandaar dat zij in pupreglementen vaak paragraven opnemen als: tenminste 2 keer Zeer Goed of Uitmuntend behaald op een openbare tentoonstelling.

Een mooi voorbeeld is dat bij de Golden Retrievers is geïnventariseerd welke honden welke kwalificaties op shows kregen. En daaruit bleek dat meer dan 90% van alle honden de kwalificatie Uitmuntend of Zeer Goed kregen. Bij de Golden Retrievers is de rasstandaard op exterieur inmiddels dus goed geborgd in het ras.

 

De rasstandaard

Het probleem met de rasstandaard is dat er ruimte zit in interpretatie. Er staan bijvoorbeeld dingen in als:

  • Alle kleuren toegestaan

  • Goede hoekingen achter

  • Diepliggende schouderbladen

  • Opgewekt karakter

  • Goede stop

  • Veel adel in het hoofd

  • Bruine tot zwarte ogen

  • Enzovoorts

Niet alleen staan er dus veel dingen in die vallen onder ‘meer of minder’, maar er is ook nog zoiets als ‘smaak’. Niet alleen van individuele fokkers en eigenaren, maar ook de ‘smaak’ van de keurmeester. Op zich is dit geen probleem.

 

Het kan echter een probleem worden als er modegrillen en trends ontstaan. Dan wordt (zoals bij de dogachtigen) de stop zo scherp gefokt dat de individuele hond zijn kaken niet meer op elkaar krijgt. Of de achterhoekingen zijn zo scherp, dat de hond niet meer onder zijn heupen kan staan en door zijn achterpoten zakt (zoals bij de Duitse herder).

Of de kop wordt zo bol gefokt dat de ogen gaan uitpuilen en de hersenen niet meer in de schedel passen (zoals bij de Cavaliertjes).

 

Kortom de problemen die via showlijnen ontstaan en die door de BBC en de Heer F. De Naaijer op onze website zijn aangegeven. Eigenlijk komt de rasstandaard, vanwege de wijze waarop wij de kynologie inmiddels hebben ingedeeld, veel meer te liggen bij keurmeesters en bij showmensen. Zij bepalen de trends en de mode. Hun interpretatie van de rasstandaard wordt, doordat er prijzen mee te verdienen zijn, min of meer opgelegd aan de rasverenigingen. En aan andere fokkers!

Want vele pupkopers, die hun eerste rashond gaan kopen, lopen shows af, zien plaatjes op websites en gaan vanzelfsprekend met de mode mee doen. Bovendien zijn er fokkers/showmensen die adverteren met specialiteiten; zoals nieuwe kleurtjes, blauwe ogen, kleinere honden (modegrill), bollere koppen, lieflijke gezichtjes, zachte karakters (tot aan slaapkoppen toe) en wat al niet.

Voor een rasvereniging die de rasstandaard moet waarborgen kan dit grote problemen opleveren.

 

De pupkoper

In vele gevallen betaalt de pupkoper de prijs. Hij/zij heeft te maken met inteelt problemen vanwege het veelvuldig gebruik van dezelfde dieren en alle risico’s die daaraan kleven. Als je het de pupkoper vraagt zal die bijna altijd zeggen: ‘Ik heb liever een gezonde hond, dan een mooie hond.’

De pupkoper wordt als het ware verblind door de prijzenkast en heeft geen idee, noch voldoende kennis, om een gezonde hond uit te zoeken. Hetgeen hem/haar voor ogen staat. De pupkoper is de eerste en de laatste die gebaat is bij het in stand houden van de driehoek van gezondheid, schoonheid en karakter.

 

Terug naar de ‘oude toestand’

Ik ben van mening dat we in de rashondenfokkerij weer terug moeten naar de oude toestand, maar dan een beetje aangepast. We moeten terug naar de oorspronkelijke uitgangspunten in de goede volgorde. Deze volgorde is naar mijn mening:

 

  • Je wilt een nestje fokken

  • Je zoekt een gezonde levenslustige hond uit

  • Je laat deze testen op allerlei aandoeningen en afwijkingen die in het ras spelen

    Je houdt het karakter zorgvuldig in de gaten (in de roedel bijvoorbeeld) en kijkt of de individuele hond nog past in het

    profiel dat tot de rasstandaard geleid heeft. Ik bedoel te zeggen; is de hond nog een karakterologisch voorbeeld voor zijn ras? Want dit is o.a. een van de redenen waarom mensen voor een rashond kiezen. De hond moet waken, wandelen, werken (hobby jacht bijvoorbeeld) of slim zijn of zachtaardig (voor kinderen en andere huisdieren).

  • En tenslotte moet de hond binnen de rasstandaard vallen, want mensen, zowel fokkers als pupkopers, kopen een ras ook omdat het hun qua uiterlijk aanstaat.

In deze nieuwe (oude) volgorde wordt een individuele hond dus als het ware (tenslotte) ook getoetst op zijn/haar ras zijn. Als al de andere zaken goed zijn en de individuele hond een waardering krijgt voor de fok, dan moet hij/zij beoordeeld worden op het feit of hij/zij OOK binnen de rasstandaard valt. En dan is, in elk geval binnen de Engelse Cocker populatie, waar het rasbeeld zeer goed vertegenwoordigd is, Zeer Goed of Uitmuntend voldoende.

Mijn voorstel is dus om weer de omgekeerde weg te gaan bewandelen.

We gaan aan keurmeesters weer vragen of zij willen beoordelen of een hond goed genoeg binnen de rasstandaard valt, omdat we er vanwege de andere kwaliteiten mee willen gaan fokken.

 

Een kampioen is een eindproduct

Een Kampioenshond is een eindproduct, niet PER DEFINITIE een fokproduct.

Een kampioen is een hond van iemand die er een hobby mee uitoefent. Die geld, tijd en energie steekt in shows lopen. Net zoals een ander tijd, geld en energie steekt in jachttraining, behendigheid of flyball. Of zoals iemand die graag wandelt en veel in de bergen op vakantie gaat, een hond uitzoekt met uithoudingsvermogen, want dat is zijn/haar hobby. Elke hond past bij een hobby. En bij elke hobby past een hond. Voor mij is de waarde van een hond niet af te meten aan het kampioen zijn.

 

 

 


 

Patrice van de Vorst

Voorzitter Genootschap van Spanielbreeders

 

            

 

 

 
 

 

 

 

© Copyright GSB 2010