|
Een kampioen is een eindproduct
Ik, Patrice van de Vorst, loop sinds begin jaren tachtig van de vorige eeuw mee
in de kynologie. Ik heb nooit geshowd en nog nooit een hond gefokt, en dat wordt
mij altijd tegengeworpen. Daardoor word ik in discussies buitenspel gezet. Maar
doordat ik nooit geshowd en nooit gefokt heb, kan ik juist als betrokken
buitenstaander wel naar het grotere plaatje kijken. Bovendien heb ik weldegelijk
een belang, want ik ben nu eenmaal verliefd op een rashond en wil in de
toekomst graag weer zo’n leuke gezonde hond kunnen aanschaffen.
Vroegere tentoonstellingen
Tentoonstellingen dienden vroeger om door keurmeesters te laten bepalen of een
individuele hond wel voldeed aan de rasstandaard. In het begin van de
rashondenfokkerij was het namelijk allemaal nog niet zo eenduidig als nu. Vele
rassen zijn in elkaar ‘geknutseld’ vanwege speciale wensen van mensen die de
hond met een doel wilden inzetten.
Vroeger diende namelijk elke hond om te werken. Dus jagers wilden een kleine
snelle hond die een goed uithoudingsvermogen had. Of ze wilden een grote rustige
hond die het wild binnen kon dragen. Of ze wilden een hond die in meute op groot
wild kon jagen.
Maar ook andere mensen werkten met een hond. Zo waren er koetsiers en melkboeren
die een trekhond wilden hebben, die sterk en krachtig was. Of werden honden
naast paarden ingezet voor trekschuiten.
Hetzelfde geldt voor honden die gebruikt werden voor bewaking en verdediging of
voor speurwerk.
Kortom elke hond van elk ras is ooit ontstaan om te werken. Zie ook op de
website onder werken met een Spaniel.
De reden dat er tentoonstellingen werden gehouden is voortgekomen uit het feit
dat alle rassen ontstaan zijn uit kruisingen tussen (individuele) honden van in
het begin verschillende rassen, of uiterlijk of omvang of andere kenmerken.
Zo heeft de Golden Retriever bijvoorbeeld Ierse Setters in haar eerste stambomen
en bloedhonden.
En zo is bijvoorbeeld de Engelse Cocker ontstaan uit de Field en Springer
Spaniels.
Heel in het begin moesten honden dus, door een keurmeester, in feite als
rastypisch worden beoordeeld. In het voorbeeld van de Engelse Cocker (waar ik
het meeste van weet) waren zaken als schofthoogte, borstbreedte, pootlengte en
zo bepalend voor een nakomeling of hij tot de Field of tot de Engelse Cocker gerekend
werd.
Keurmeesters in die dagen waren vaak de jagers zelf, die de hond ook beoordeelden
op werklust en karakter.
Kennelclub
Ongeveer honderd jaar geleden kwamen er steeds meer ‘rassen’. Enkele liefhebbers
van verschillende rassen staken de koppen bij elkaar en wilden afstammingspapier
gaan vastleggen. Onder andere om die reden (er zijn er meer) zijn in alle landen Raden
van Beheer opgestart. Een van de zaken die deze Raden moesten controleren was of
een hond wel tot een bepaald ras behoorde, voordat een stamboom werd afgegeven.
Later is dat veranderd, omdat twee honden die door een keurmeester tot een
bepaald ras werden gebombardeerd, feitelijk en genetisch alleen maar
nakomelingen konden geven die ook tot dat ras behoorden. Vandaar dat op al onze
stambomen tot aan de dag van vandaag vele generaties voorouders worden vermeld.
In feite is dit een bewijs van ras. Als je vier generaties Engelse Cockers in je
stamboom hebt staan, dan ben 'je zelf' ook een Engelse Cocker.
Wat is er veranderd?
Wat er in feite in de achterliggende honderd jaar is veranderd, is dat
keurmeester niet meer alleen gevraagd wordt of de hond tot een bepaald ras
behoort. Maar dat tentoonstellingen een wedstrijd zijn geworden in de ‘mooiste’
rashond. De keurmeester moet dus de rasbeste uitzoeken uit de honden die op een
bepaalde dag aan hem geshowd worden.
Dus de vraag aan de keurmeester is veranderd. Waar hij eerst moest bepalen of de
voor hem staande hond een Field of een Cocker was (en later in Amerika waar de
Amerikaanse Cocker is gefokt uit de Engelse Cocker) of het een Amerikaan en of
een Engelse Cocker is, worden nu al bij de inschrijvingen voor de show eisen aan
de hond gesteld. Hij/zij moet een Engelse Cocker ZIJN om aan de tentoonstelling
voor Engelse Cockers te mogen deelnemen.
In feite hebben de door de Raad van Beheer uitgedeelde stambomen het werk van de
keurmeesters ingrijpend veranderd. Zij hoeven niet meer te bepalen OF een hond
bij een bepaald ras hoort, maar moeten een rangorde aanbrengen welke hond HET
BESTE binnen de rasstandaard past.
Wat zijn de gevolgen?
De gevolgen zijn erg groot. Ik noem er een paar, met wederom de Engelse Cocker
als voorbeeld.
· Eerst
was de kwalificatie gewoon ‘ja’ of ‘nee’. Je bezat een Engelse Cocker of deze
hond was GEEN Engelse Cocker. Wat het dan wel was, moest je afwachten door
bijvoorbeeld een keurmeester deze hond te laten kwalificeren als Field Spaniel.
· Honden
worden nu gewaardeerd binnen hun Engelse Cocker ZIJN. Ze worden gekwalificeerd
naar goed, zeer goed, uitmuntend, en soms zelfs naar matig of slecht. Maar ze
zijn en blijven Engelse Cockers, want ze hebben een afstammingsbewijs van
generaties voorouders die Engelse Cockers zijn. Je kunt een individuele hond met
matig dus niet voorbrengen als Field Spaniel en daar een andere waardering of
kwalificatie gaan halen. Ik heb eens een Golden Retriever gehad met een
‘terugslag op de bloedhond’, zoals het keurrapport vermeldde. Hij had hele lange
bovenlippen en kreeg daarom de kwalificatie Goed.
· Op
deze manier komt er competitie tussen honden tot stand. Het gaat niet meer over
een Engelse Cocker ZIJN, het gaat er over de mooiste Engelse Cocker bevonden
te WORDEN. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Temeer nog omdat er misschien
wel veel mooiere Engelse Cockers rondlopen, die bij mensen thuis een prachtig
leven leiden, maar nooit op een show worden voorgebracht. Shows lopen is een
hobby en een wedstrijdsport geworden.
· Er
zijn prijzen mee te verdienen. Op tentoonstellingen zijn prijzen te winnen. De
mooiste krijgt een beker en een foto, kan punten verdienen voor een
kampioenschap (een woord wat al aangeeft dat hier sprake is van wedstrijden!) en
is als zodanig inderdaad de mooiste per jaar, per leeftijdsgroep, per sekse.
Maar het blijft hoe dan ook een wedstrijd op schoonheid, voor mensen die
graag aan zulke wedstrijden meedoen.
· Bovendien
ligt er een risico op de loer, daar sommige mensen die aan zulke wedstrijden
meedoen, zich gaan vereenzelvigen zich met het kampioenschap van hun hond. Zij
denken dat zij iets gepresteerd hebben wat hun hond tot kampioen maakt. En
inderdaad met goed trimmen en goed voorbrengen is heel wat voorsprong te
behalen, maar een niet zo mooie hond, blijft een niet zo mooie hond.
· En
tenslotte iets waar ik me altijd over verbaasd heb; met de mooiste hond MOET
veel gefokt worden. Ik geef hier altijd maar het voorbeeld van Marilyn Monroe en
Albert Einstein. Marilyn gaat naar Albert en zegt: ‘Zullen we samen een kind
maken? Dan krijgt het jouw intelligentie en mijn schoonheid.’ Antwoord Albert:
‘En wat als het jouw intelligentie krijgt en mijn lelijkheid?’
De vraag is dus wat voor problemen er allemaal kunnen ontstaan als een
kampioenshond veel voor de fok gebruikt wordt?
Problemen op verschillende niveaus
Problemen met het veelvuldig gebruik van schoonheidskampioenen, of dit nu teven
of reuen zijn maakt niet uit, spelen zich af op verschillende vlakken.
Genenpool
Op het niveau van de genenpool in de populatie kan te nauw geteeld worden. Veel
dezelfde hond gebruiken geeft een versmalling van de beschikbare genen, een
verkleining van de genenpool, omdat vele dieren in één generatie dan familie van
elkaar zijn. Niet alleen de mooie en gewenste genen worden overgedragen, maar
ook de ongewenste genen die wellicht ziekten en dergelijke kunnen overbrengen. In het
stuk over ‘Het Impressive Syndroom’ wordt dat duidelijk uitgelegd.
Rasvereniging
Een rasvereniging heeft van de Raad van Beheer de opdracht om de belangen van
het ras te vertegenwoordigen en daar waar nodig in te grijpen, bij te sturen en
het ras in stand te houden. Een rasvereniging moet dus rekening houden met de
drie pijlers van een ras; de rasstandaard, de gezondheid en het karakter.
Wanneer binnen een ras veel of uitsluitend gekeken wordt naar de mooiste honden
binnen de rasstandaard, dan treedt er een onevenwichtigheid op. Gezondheid en
karakter kunnen (of dreigen) ondergeschikt te worden aan de schoonheid.
Indien bovendien, hetgeen tegenwoordig het geval is, niet meer zo goed op
karakters wordt gelet door keurmeesters, en zij honden niet meer aan het ‘werk’
zien waarvoor zij oorspronkelijk gefokt zijn, is het dus de vraag of de mooie
hond nog wel aan de rasstandaard voldoet. Want in vele rasstandaarden staan ook
zaken vermeld aangaande het karakter van een ras.
Vanwege de driehoek die een rasvereniging moet handhaven, kunnen er dus ruzies
en vetes ontstaan, omdat er competitie is tussen eigenaren van mooie honden, die
er onder andere vanwege de investering in tijd en geld, ook mee willen fokken. Maar deze
honden kunnen verborgen ziekten bij zich dragen (intern) of niet meer volledig
in de karakterbeschrijving van de rasstandaard vallen. Ik zeg KAN. Dit hoeft dus
niet het geval te zijn. En de rasvereniging moet ook het welzijn en de
gezondheid in stand houden van de gehele populatie. Het bestuur van een
rasvereniging heeft dus vaak te maken met twee kampen binnen de vereniging en
moet daar tussen laveren.
De rasvereniging echter moet WEL de rasstandaard in acht nemen. Vandaar
dat zij in pupreglementen vaak paragraven opnemen als: tenminste 2 keer Zeer Goed of Uitmuntend
behaald op een openbare tentoonstelling.
Een mooi voorbeeld is dat bij de Golden Retrievers is geïnventariseerd welke
honden welke kwalificaties op shows kregen. En daaruit bleek dat meer dan 90%
van alle honden de kwalificatie Uitmuntend of Zeer Goed kregen. Bij de Golden Retrievers is de
rasstandaard op exterieur inmiddels dus goed geborgd in het ras.
De rasstandaard
Het probleem met de rasstandaard is dat er ruimte zit in interpretatie. Er staan
bijvoorbeeld dingen in als:
Niet alleen staan er dus veel dingen in die vallen onder ‘meer of minder’, maar
er is ook nog zoiets als ‘smaak’. Niet alleen van individuele fokkers en
eigenaren, maar ook de ‘smaak’ van de keurmeester. Op zich is dit geen probleem.
Het kan echter een probleem worden als er modegrillen en trends ontstaan. Dan
wordt (zoals bij de dogachtigen) de stop zo scherp gefokt dat de individuele
hond zijn kaken niet meer op elkaar krijgt. Of de achterhoekingen zijn zo
scherp, dat de hond niet meer onder zijn heupen kan staan en door zijn
achterpoten zakt (zoals bij de Duitse herder).
Of de kop wordt zo bol gefokt dat de ogen gaan uitpuilen en de hersenen niet
meer in de schedel passen (zoals bij de Cavaliertjes).
Kortom de problemen die via showlijnen ontstaan en die door de BBC en de Heer F.
De Naaijer op onze website zijn aangegeven. Eigenlijk komt de rasstandaard,
vanwege de wijze waarop wij de kynologie inmiddels hebben ingedeeld, veel meer
te liggen bij keurmeesters en bij showmensen. Zij bepalen de trends en de mode.
Hun interpretatie van de rasstandaard wordt, doordat er prijzen mee te verdienen
zijn, min of meer opgelegd aan de rasverenigingen. En aan andere fokkers!
Want vele pupkopers, die hun eerste rashond gaan kopen, lopen shows af, zien
plaatjes op websites en gaan vanzelfsprekend met de mode mee doen. Bovendien
zijn er fokkers/showmensen die adverteren met specialiteiten; zoals nieuwe
kleurtjes, blauwe ogen, kleinere honden (modegrill), bollere koppen, lieflijke
gezichtjes, zachte karakters (tot aan slaapkoppen toe) en wat al niet.
Voor een rasvereniging die de rasstandaard moet waarborgen kan dit grote
problemen opleveren.
De pupkoper
In vele gevallen betaalt de pupkoper de prijs. Hij/zij heeft te maken met
inteelt problemen vanwege het veelvuldig gebruik van dezelfde dieren en alle
risico’s die daaraan kleven. Als je het de pupkoper vraagt zal die bijna altijd
zeggen: ‘Ik heb liever een gezonde hond, dan een mooie hond.’
De pupkoper wordt als het ware verblind door de prijzenkast en heeft geen idee,
noch voldoende kennis, om een gezonde hond uit te zoeken. Hetgeen hem/haar voor
ogen staat. De pupkoper is de eerste en de laatste die gebaat is bij het in
stand houden van de driehoek van gezondheid, schoonheid en karakter.
Terug naar de ‘oude toestand’
Ik ben van mening dat we in de rashondenfokkerij weer terug moeten naar de oude
toestand, maar dan een beetje aangepast. We moeten terug naar de oorspronkelijke
uitgangspunten in de goede volgorde. Deze volgorde is naar mijn mening:
-
Je wilt een nestje fokken
-
Je zoekt een gezonde levenslustige hond uit
-
Je laat deze testen op allerlei aandoeningen en afwijkingen die in het ras
spelen
Je houdt het karakter zorgvuldig in de gaten (in de roedel bijvoorbeeld) en
kijkt of de individuele hond nog past in het
profiel dat tot de rasstandaard geleid heeft. Ik bedoel te zeggen; is de
hond nog een karakterologisch voorbeeld voor zijn ras? Want dit is o.a. een van de redenen
waarom mensen voor een rashond kiezen. De hond moet waken, wandelen, werken (hobby jacht bijvoorbeeld) of slim zijn of zachtaardig (voor kinderen
en andere huisdieren).
-
En tenslotte moet de hond binnen de rasstandaard vallen, want mensen, zowel
fokkers als pupkopers, kopen een ras ook omdat het hun qua uiterlijk
aanstaat.
In deze nieuwe (oude) volgorde wordt een individuele hond dus als het ware
(tenslotte) ook getoetst op zijn/haar ras zijn. Als al de andere zaken goed zijn
en de individuele hond een waardering krijgt voor de fok, dan moet hij/zij
beoordeeld worden op het feit of hij/zij OOK binnen de rasstandaard valt. En dan
is, in elk geval binnen de Engelse Cocker populatie, waar het rasbeeld zeer goed
vertegenwoordigd is, Zeer Goed of Uitmuntend voldoende.
Mijn voorstel is dus om weer de omgekeerde weg te gaan bewandelen.
We gaan aan keurmeesters weer vragen of zij willen beoordelen of een hond goed
genoeg binnen de rasstandaard valt, omdat we er vanwege de andere kwaliteiten
mee willen gaan fokken.
Een
kampioen is een eindproduct
Een Kampioenshond is een
eindproduct, niet PER DEFINITIE een fokproduct.
Een kampioen is een hond van iemand die er een hobby mee uitoefent. Die geld, tijd
en energie steekt in shows lopen. Net zoals een ander tijd, geld en energie
steekt in jachttraining, behendigheid of flyball. Of zoals iemand die graag
wandelt en veel in de bergen op vakantie gaat, een hond uitzoekt met
uithoudingsvermogen, want dat is zijn/haar hobby. Elke hond past bij een hobby.
En bij elke hobby past een hond. Voor mij is de waarde van een hond niet af te
meten aan het kampioen zijn.
Patrice van de Vorst
Voorzitter Genootschap van Spanielbreeders

|